De nieuwe generatie, wat weten, horen en zien we ervan? Heimat, Met mijn vader in bed (wegens omstandigheden) en een State of the Youth, zijn blikopeners.

Heimat - © Basiel Debrock
Heimat – © Basiel Debrock

Het belang van festivals zit onder meer in het opmerkzaam maken op aanstormend talent, de zogenaamde ‘jonge wilden’, de net afgestudeerden uit diverse disciplines die vaak zonder werkzekerheid op de culturele arbeidsmarkt worden gegooid. Festivals, zoals Theater aan Zee of het jaarlijks Theaterfestival (Vlaanderen en Nederland) hebben altijd wel een prijs toe te kennen. Belangrijk is echter dat de gezelschapjes van het eerste uur, hun woord kunnen plaatsen, hun kunst kunnen tonen. Even belangrijk is, na te gaan hoe die prille ensembles het er verder van af brengen en echt iets te vertellen hebben.

Traditiegetrouw werd ook dit jaar het Theaterfestival (deSingel, Antwerpen) officieel geopend met een toespraak door iemand met aanzien in de theaterwereld, gevolgd door een aankomend talent dat spreekt in naam van de jongere generatie. Dit keer was het Ann Olaerts (1963), na jaren aan het hoofd van het VTI (Vlaams Theater Instituut, Brussel) nu directeur Toneelacademie Maastricht, die de State of the Union uitsprak en kwam de 29-jarige theatermaker Freek Vielen voor The State of the Youth aan de beurt. Heimat, zijn proefstuk als regisseur, werd geselecteerd voor Circuit X en niet alleen die productie maar ook wat hij de verzamelde oudere en jongere generaties te zeggen had, bleek beklijvend.

Vielen getuigt van een benijdenswaardig optimisme, van een verrassende spiritualiteit en van humor waardoor men ‘trotzdem’ lacht, zoals men in Duitsland zegt, alhoewel er nu ook daar niet te lachen valt na het bericht dat er tot 2020 (en daarna zien we wel) drastisch zal bespaard worden op kunst en cultuur. Maar daarover had Vielen het zeker niet. Hij hief ook niet de gebruikelijke klaagzang aan over hoe slecht de vooruitzichten wel zijn voor Vlaanderen, in binnen-en buitenland geprezen omwille van zijn progressieve theatermakers. Hij was blij om wat er is aan kunstenaars die de woorden, de muziek en de beelden scheppen waardoor ze met de medemens kunnen communiceren en ervaringen uitwisselen en zodoende hem en haar troosten en opvrolijken, en inzicht en uitzicht helpen verschaffen. Kunst beoefen je nu eenmaal niet enkel voor jezelf maar in de meeste gevallen voor anderen. In een normale maatschappij zijn dat de burgers. Samen met de scheppende kunstenaars én met de wetgevende overheid, zijn ze mede verantwoordelijk voor het in stand houden van het geestelijk voedsel dat even noodzakelijk is als het voedsel dat het lichaam gezond zou moeten houden. Maar, en uiteindelijk komt Freek Vielen, na de uiteenzetting van wat hierboven zeer kort is aangestipt, tot de kern van de zaak: in iedere burger zit ook een consument. En zich rechtstreeks tot de nieuwe minister voor kunst en cultuur richtend (enkele quoten) klinkt het zo:

“Stop met het geven van die verantwoordelijkheid aan de consument. Ik wil niet dat de consument mag beslissen hoe we om willen gaan met het eten dat eens een dier was. Daar moeten wij rustig als burgers over nadenken. Ik wil ook niet dat de consument, de hardwerkende ondernemer in eigenbelang, verantwoordelijk wordt gemaakt voor de opwarming van de aarde. Daar is het te belangrijk voor. Ik wil dat dat over wordt gelaten aan de burgers. Het is toch inmiddels wel duidelijk dat maximaal geld verdienen als enige beslissingsfactor, niet de fijnste wereld oplevert? Laten wij burgers onder elkaar de macht terugvragen. De vraag of kunst gesubsidieerd zou moeten worden en hoeveel dan, mag dan ook niet meer zijn dan de vraag: willen wij de wereld beter leren kennen, het onuitspreekbare bespreekbaar maken, willen wij investeren in de kwaliteit van onze dialoog, van ons gesprek, de kwantiteit van het zegbare? Het is niet de vraag: hoeveel maatschappelijk nut kan je kopen voor een euro kunstsubsidie. We moeten blijven proberen de komende 1000 jaar elkaar niet af te rekenen op nuttigheid maar proberen te schatten op waarde. Want als iets waarde heeft, dan is het uiteindelijk ooit voor iemand vanzelf nuttig. Dat betekent niet dat theater gefinancierd of gerechtvaardigd moet worden als relatie- of familietherapie. Nee. Het zegbare vergroten, het denkbare verdiepen, het kenbare verbreden, dat kan er misschien voor zorgen dat over 1000 jaar mensen geen bommen meer nodig hebben, maar het afkunnen met woorden”. 

Dit zijn woorden en beschouwingen van een vertegenwoordiger van een generatie die zich graag jong voelt. Woorden om in een kader boven je bed te hangen en elke dag opnieuw te lezen. Woorden om ze dagelijks om te roepen in het parlementaire labyrint  en ze permanent langs de verkeerswegen te afficheren.

Met Heimat illustreert Freek Vielen (in 2007 afgestudeerd, daarna onder meer als speler actief, nu voor zijn regie geselecteerd), zij het vanuit een begrijpelijke voorzichtige aanpak, wat hij met zijn theater beoogt. Hoe jongeren (gespeeld door Rebekka De Wit, Tom Struyf, Suzanne Grotenhuis, Harald Austbö) enkele aspecten uit het verleden van hun ouders en grootouders willen kennen vanuit de vraag of ze er iets uit kunnen leren. Een kleinschalige en sober opgezette voorstelling die uitgaat van echt beleefde ervaringen en ontmoetingen die vastgelegd werden op film en nu getoond worden op een groot scherm. Meer dan documentair theater?Heimat is confronterend. Ouderen  tegenover een nieuwe generatie. Daar tussenin een kloof van vele jaren. Dan is er nog een kloof: deze met het gemengde publiek, mensen van alle leeftijden. Jonge spelers lijfelijk aanwezig op de scène en oudjes op het scherm tegenover mensen die als toeschouwers eigen ervaringen herkennen en zich afvragen in welke verhouding ze zelf tegenover hun ouders of kinderen stonden of staan. Theater dat je direct aanspreekt.

De ondervraagde ouderen op het scherm praten soms ronduit, soms aarzelend en verdoezelend over liefde, ondernemingslust, respect, geloof, de waarde van een familieband. De jongeren voelen zich niet gebonden door enige dwangidee en hebben er geregeld wat commentaar bij, zoals: geloven dat je gelooft is ook geloven. Opmerkelijk is de bereidheid tot luisteren en tot nadenken. Daaruit merk je ook hun twijfel. Jongeren hebben hun muziek maar zijn ook gevoelig voor de ‘oude’ muziek die een bejaarde pianist laat horen. Ze hebben hun opvatting over macht en egoïsme, over kapitalisme en levensstijl, maar wachten nog vooraleer een duidelijk standpunt in te nemen. Belangrijk is, dat getoond wordt dat jongeren hun ouders of grootouders over levensvragen durven te ondervragen zonder betutteling of sentimentele franjes. Heimatmag gerust, zoals gepland, de aanloop naar een Heimat-2 worden. Dan met nadruk op het doen en de tekorten in het leven van hedendaagse twintigers.

Met mijn vader in bed (wegens omstandigheden), eveneens geselecteerd voor het Theaterfestival (gezien in de Monty) heeft ook te maken met familie maar dan wel gefocust op een vader-dochterconflict.

Het meisje maakt een kleine storm door wanneer blijkt dat haar vader, na het overlijden van zijn vrouw, haar moeder, een nieuwe relatie aangaat. De vader-dochter-relatie wordt hier zeer scherp gesteld. Ze zien mekaar nog nauwelijks en hebben vooral telefooncontact. Als ze elkaar al ontmoeten, draaien ze in cirkels rond mekaar. Maar uiteindelijk moet de situatie worden geklaard en moet er echt worden gepraat.

De Nederlandse auteur Magne van den Berg (1967) schreef het stuk op vraag van actrice Marieke de Kleine (1980), die enkele jaren geleden haar moeder verloor en daardoor het contact met haar vader verstoord zag. De schrijfster breidde dit gegeven uit en in een regie van Paul Knieriem (1981) speelt René van ‘t Hof (1956, oprichter van Carver) de vader en Marieke de Kleine (1980), de dochter. Inmiddels is het stuk ook in het Duits vertaald en werd het geselecteerd voor het Festival in Wiesbaden.

Knieriem zorgt voor een sterk gecondenseerde vertoning. Hij wordt daarbij gediend door de pure, mooi afgewogen taal van de schrijfster. Geen woord teveel. Kansen te over voor Van ‘t Hof en De Kleine, om de vele nuances in het spel van afwenden en toenaderen intens te beleven en van binnen uit op de scène te brengen.

De heftige communicatiestoornis door het overlijden van de moeder, krijgt ook een visuele uitwerking in de ietwat mistige filmopnamen die af en toe over de scène en de spelers schuiven. Suggestie van onder meer een treinrit met voorbijglijdende wolken en telefoondraden waarvan je niet weet waar ze de telefoongesprekken naartoe brengen, zoals je ook niet weet naar waar of naar wie de treinreizigers op reis zijn. Met mijn vader in bed (wegens omstandigheden) verwijst benevens naar het contactverlies vooral naar het onvermogen van een mens, hier de dochter, op eigen kracht een groter en vooral een meer emotioneel geladen verlies te boven te komen. Zij heeft de vader nodig en ondanks haar verdwalen in frustraties, wil zij ook voor hem iets betekenen. Een begin van toenadering als mogelijkheid voor wederzijdse troost. Een einde van een doorvoelde realisatie die nergens tragisch wordt en jongeren én volwassenen op een bijzondere manier omhelst.

Info: