In Memoriam Tine Balder. Eén van onze boeiendste actrices…

Op Paaszondag 4 april 2021 overleed de 98-jarige toneelspeelster Tine Balder in Antwerpen, waar ze op 2 februari 1924 geboren was. Eigenlijk heette ze Clementine Cobbaut. Als actrice kortte ze haar voornaam wat in tot Tine, en als achternaam koos ze Balder: een figuur uit de Germaanse mythologie, de god van het licht, de lente, de wijsheid, en ook van de welsprekendheid.

Jeugdtheater van de KNS 1943: Tine Balder (l) als Assepoes en Jaak Van Hombeek als Prins, (tekst en regie Fred Engelen). © KNS-archief in FelixArchief, Stad Antwerpen, nr. 9#1639 (Foto Segers)
Jeugdtheater van de KNS 1943: Tine Balder (l) als Assepoes en
Jaak Van Hombeek als Prins, (tekst en regie Fred Engelen). © KNS-archief in FelixArchief, Stad Antwerpen, nr. 9#1639 (Foto Segers)

Ze behaalde een diploma aan de stedelijke normaalschool van haar geboortestad. Daarna volgde ze tijdens de oorlogsjaren een toneelopleiding aan het ‘Hoger Instituut voor Toneel en Regie’ dat door Joris Diels, directeur van de Antwerpse Koninklijke Nederlandse Schouwburg (KNS) was opgericht. Ze speelde ook bij het ‘Jeugdtheater van de KNS’, dat onder de directie stond van Joris Diels. Deze had het kindertheater ‘De Zonnebloem’, dat in 1940 gesticht was door de poppenspeler Jan Brugmans maar al na twee jaar twee speeljaren wegens geldgebrek zijn activiteiten moest stoppen, in 1942 overgenomen als ‘Jeugdtheater van de KNS’. Diels, die al KNS-directeur was maar in 1942 door de stad Antwerpen was aangesteld tot directeur-generaal van de stedelijke schouwburgen (KNS, én Koninklijke Vlaamse Opera), gaf de dagelijkse leiding van dit Jeugdtheater aan de jonge acteur-regisseur Fred Engelen (lid van het KNS-gezelschap). Zo speelde Tine Balder tijdens het eerste seizoen (1942-1943) van dit ‘Jeugdtheater van de KNS’ de hoofdrol in ‘Assepoes’ (naar Grimm) in een bewerking en regie van Fred Engelen. En, jawel: ze trouwden in 1944 met elkaar, en kregen drie kinderen (Bie, Jan en Katrijn).

 

Na de bevrijding van België in 1944, was Tine een speeljaar verbonden aan het gezelschap van de Koninklijke Nederlandse Schouwburg in Gent. Toen de Antwerpse KNS in 1945 de opdracht kreeg van ‘Nationaal Toneel’, werd er in het akkoord voorzien dat het Gentse gezelschap zou opgaan in het grotere geheel van dit nieuwe nationaal gezelschap (34 spelende leden: 12 dames en 22 heren!) met standplaats in Antwerpen. Zo kwam Tine Balder bij het gezelschap van de KNS-Nationaal Toneel terecht, waarvan ze tot 1961 deel zou uitmaken.

KNS-NT 1950: Tine Balder als Trijntje Cornelis (Constantijn Huygens), regie Fred Engelen. © KNS-Archief in FelixArchief, Stad Antwerpen, nr. 5716jpg (Foto Reusens)
KNS-NT 1950: Tine Balder als Trijntje Cornelis (Constantijn Huygens), regie Fred Engelen. © KNS-Archief in FelixArchief, Stad Antwerpen, nr. 5716jpg (Foto Reusens)

Toen haar echtgenoot Fred Engelen (die na de bevrijding in 1944 op last van het stadsbestuur uit het KNS-gezelschap tijdelijk was verwijderd, hoewel hij beslist geen veroordeling wegens collaboratie of incivisme had opgelopen: hij was enkel overtuigd ‘Vlaamsgezind’) op initiatief van Herman Teirlinck medio 1948 werd aangesteld om de dagelijkse leiding van de Studio van het Nationaal Toneel op zich te nemen, werd hij toch ‘automatisch’ beschouwd als lid van het KNS-gezelschap. En zeker wanneer in 1950 ‘Trijntje Cornelis’ (van Constantijn Huygens, overigens een ‘wereldcreatie’, want hoewel het stuk dateert van 1653 was het nog nooit opgevoerd) in zijn regie een bijzonder groot succes kende, werd zijn aanwezigheid in het gezelschap niet meer in vraag gesteld.

En zo realiseerde het Tine Balder in KNS-Nationaal Toneel een hele reeks prachtige vertolkingen met Fred Engelen als regisseur, onder andere in 1952 Laura Wingfield in ‘Glazen Speelgoed’ (Tennessee Williams), in 1953 de gouvernante Araminthe in ‘De School voor Vaders’ (Jean Anouilh,) in 1955 Andrea in ‘Een Bruid in de Morgen’ (Hugo Claus), in 1957 Lise van Werveke in ‘Het Lied van de Moordenaar’ (Claus), in 1958 Portia in ‘De Koopman van Venetië’ (William Shakespeare), in 1959 Malou in ‘Suiker’ (Claus), en in 1960 een indrukwekkende ‘Moeder Courage’ (Bertolt Brecht).

Ook de talentvolle en ervaren regisseur Ben Royaards (die door directeur Joris Diels in 1937 uit Nederland naar de KNS was gehaald) werkte graag met haar. Zo vertolkte ze in zijn regie onder meer in 1952 de luchtgeest Ariël in ‘De Storm’ (Shakespeare) en Lucille in ‘De herhaling of de liefde gestraft’ (Jean Anouilh), in 1952 Abdis Klaeris van Velsen in ‘Gysbreght van Aemstel (Joost van den Vondel), in 1953 de jonge Zuster Constance in het drama ‘De laatste op het Schavot’ (Georges Bernanos), in 1954 Helena in de jubileumproductie ‘Midzomernachtsdroom’, in 1956 de titelrol in Major Barbara (G. Bernard Shaw), in 1957 Viola in ‘Driekoningenavond’ (Shakespeare), en in 1961 Lucile Blanchard, de hoofdrol in ‘Voor Lucretia’ (Jean Giraudoux).

KNS-NT, 1952: Glazen Speelgoed (Tennessee Williams), regie Fred Engelen. Met Jenny Van Santvoort (Mrs. Wingfield) en (rechts) Tine Balder (Laura). © KNS-Archief in FelixArchief, Stad Antwerpen, nr. 10042 (Foto: Reusens)
KNS-NT, 1952: Glazen Speelgoed (Tennessee Williams), regie Fred Engelen.
Met Jenny Van Santvoort (Mrs. Wingfield) en (rechts) Tine Balder (Laura). © KNS-Archief in FelixArchief, Stad Antwerpen, nr. 10042 (Foto: Reusens)

In 1950 en 1953 nam ze ook deel aan de theatertournees, die sinds 1950 met een beperkt ad hoc gezelschap (met acteurs en actrices van de KNS, de Studio van het Nationaal Toneel, en de radio-omroep) werden georganiseerd in het toenmalige ‘Belgisch Congo’. Op het programma van 1953 stond o.m. ‘Glazen Speelgoed’ (Tennessee Williams), en ‘Medea’ (in de bewerking van Jean Anouilh), beide in een regie van Fred Engelen en met Tine Balder in de hoofdrol. En ook het Vlaamse blijspel ‘Paradijsvogels’ van Gaston Martens, dat in West-Europa een internationaal succes was geworden (het werd o.m. ook opgevoerd in Frankrijk, Duitsland, Noorwegen en Amerika). Deze tournee maakte in 1953 ook een zijsprong naar Zuid-Afrika, waar de Vlaamse acteurs optraden in een zevental steden. Ze werden er warm onthaald, en maakten er vele vrienden. De acteerprestaties van Tine Balder maakten ook zulk een indruk, dat ze in 1959 naar Zuid-Afrika werd uitgenodigd om in het universiteitstheater van Stellenbosch de titelrol te spelen in ‘Johanna, soldaat van God’ (G. Bernard Shaw, ‘Joan of Arc’) in de Afrikaanse vertaling van Prof. W.E.G. Louw.

KNS 1953: Tine Balder (Medea) en Fred Engelen (Jasoon) in Medea (Jean Anouilh), tijdens een tournee (zomer 1953) in Belgisch Congo en Zuid-Afrika. © KNS-Archief in FelixArchief Stad Antwerpen, nr. 2087 (Foto: Reusens)
KNS 1953: Tine Balder (Medea) en Fred Engelen (Jasoon) in Medea (Jean Anouilh), tijdens een tournee (zomer 1953) in Belgisch Congo en Zuid-Afrika. © KNS-Archief in FelixArchief Stad Antwerpen, nr. 2087 (Foto: Reusens)

In het speeljaar 1960-1961 stonden actrice Tine Balder en regisseur Fred Engelen werkelijk aan de top van het Vlaamse theater. Al was er aan het einde van de jaren vijftig wel wat sleet gekomen op het beleid van de zittende KNS-directeur Firmin Mortier, en hadden of wilden enkele prominente acteurs en actrices het gezelschap verlaten. In het politieke én het theatermilieu hadden velen in Fred Engelen een uitstekende kandidaat gezien om de KNS-Nationaal Toneel te leiden. Maar bij de ‘inrichtende macht’ (het Antwerpse stadsbestuur) lag, althans volgens insiders, de toenmalige socialistische schepen van cultuur (om persoonlijke redenen) dwars tegen een mogelijke aanstelling van Engelen als directeur. Toen hij begin 1960 een aanbod kreeg om aan de universiteit van Stellenbosch (Zuid-Afrika) een departement drama op te starten, ging Fred Engelen daar na enig beraad op in. Op 13 juni 1961 kreeg hij in de lokalen van de Studio van het Nationaal Toneel in de Kolveniersstraat nr. 20 (het huidige ‘Rubenianum’) van zijn collega’s en studenten een warm afscheidsfeest.

Het echtpaar Engelen-Balder kwam samen met de drie kinderen op 6 juli 1961 toe in Kaapstad. En op 11 september 1961 reeds gaf het departement drama van de universiteit van Stellenbosch zijn openingsopvoering met ‘Antigone’ van Sofokles. Tine Balder speelde de titelrol, Fred Engelen was koorleider, en voerde de regie. Alle studenten werden betrokken bij het spel en/of stonden in voor de technische bijstand. Toen ik in 1973 Tine Balder interviewde (cf. De Scene oktober 1973, p. 11-13) en haar vroeg hoe ze dat voor mekaar gekregen had om zo vlug twee vreemde talen te leren, vertelde ze me: ‘Zuid-Afrikaans heb ik op het gehoor geleerd, en door concentratie op de tekst. Het Engels deed ik met bandopnamen. Ergens de correcte uitspraak op band laten vastleggen, en dan veel beluisteren. Deze technisch-juist gesproken tekst kon ik dan assimileren en er de juiste gevoelens als het ware ‘onderschuiven’.’

KNS 1964: Tine Balder (Josie) en Senne Rouffaer (James Tyrone) in Maneschijn voor de misdeelden (Eugene O’Neill), regie Lode Verstraete. © KNS-Archief in FelixArchief Stad Antwerpen, nr. 7564 (Foto: Reusens)
KNS 1964: Tine Balder (Josie) en Senne Rouffaer (James Tyrone) in
Maneschijn voor de misdeelden (Eugene O’Neill), regie Lode Verstraete. © KNS-Archief in FelixArchief Stad Antwerpen, nr. 7564 (Foto: Reusens)

Tine assisteerde haar man als lector bij zijn opdracht als professor en hoofd van het departement drama aan de universiteit. Tine (citaat uit het vermelde interview): ‘Er was een groot gebrek aan lectoren met praktische ervaring. Uit boeken kan je natuurlijk van alles leren, maar waar zouden ze de praktische ondervinding gehaald hebben?’ Aan de dramaopleiding van de universiteit van Stellenbosch gaf ze lessen in speltechniek, poppenkast, en grime. Tijdens de zomervakantie (in Zuid-Afrika valt die in de maanden december en januari) kwam ze regelmatig met haar gezin naar België, om haar vrienden en familie te zien. En om zo mogelijk een gastrol te spelen. Zo speelde ze in de Antwerpse KNS de plattelandsdochter Josie Hogan in het aangrijpende stuk ‘Maneschijn voor de misdeelden’ (‘A Moon for the Misbegotten’, Eugene O’Neill, première 28.11.1964) met als tegenspeler Senne Rouffaer (James Tyrone). Terwijl Fred Engelen in dezelfde periode in de KNS ‘Schweijk in de tweede Wereldoorlog’ (Bertold Brecht) ensceneerde, met Luc Philips in de titelrol (première 26.12.1964)

Tijdens haar Zuid-Afrikaanse periode speelde ze vele hoofdrollen in het Afrikaans, zoals in ‘Antigone’ (Sophocles), ‘Die fees van die Gekroonde Skoen’ (De gecroonde Leersse, van Michiel de Swaen), Die Hemelbed (Jan de Hartog, ‘Het Hemelbed’), ‘Maria Stuart’ (Schiller), ‘Don Carlos’ (Schiller), ‘Macbeth’ (Shakespeare). Ze vertolkte ook meerdere rollen in het Engels, zoals de hoofdrol in ‘Mary of Nimmegen’ (Mariken van Nieumeghen, Middeleeuws mirakelspel), ‘Anna Christie’ (Eugene O’Neill), en Mrs. Malaprop met haar komische versprekingen in ‘The Rivals’ (Sheridan).

Het was voor haar niet alles rozengeur en maneschijn. Tijdens een later interview (17.01.1991) zei ze ze me: ‘Ik kwam uit een gezin, waarin ik overbeschermd was. Mijn ouders regelden alles. En toen ik met Fred getrouwd was, bleef dat zo verder gaan: hij regelde alles. Ik was nog zo jong toen, ik wist niet beter. (…) Ik heb moeten vechten voor een eigenheid. En van al zijn activiteiten, wist ik eigenlijk bitter weinig af. Ook toen hij zo plots overleden is, wist ik niet eens waar we financieel ergens stonden. Fred dacht dat hij voor iedereen altijd het beste deed. Wat niet altijd waar was. Maar alles deed hij met een sterke overtuiging, met een “go” ging hij er tegen aan.’ (In: Gesprek met Tine Balder, in mijn verhandeling ‘Van Zonnebloem tot Jeugdtheater’. Antwerpen, 1995, p. 57-61).

1962 (ca.): Affiche voor Anna Christie (Eugene O’Neill), Cape Regional Theatre © Archief Tine Balder en Fred Engelen in Letterenhuis, Stad Antwerpen: (lhps:49405)
1962 (ca.): Affiche voor Anna Christie (Eugene O’Neill), Cape Regional Theatre © Archief Tine Balder en Fred Engelen in Letterenhuis, Stad Antwerpen: (lhps:49405)

In december 1967 sloeg helaas het noodlot toe. Tijdens een studiereis in Duitsland overleed Fred Engelen op 4 december in Stuttgart, aan de gevolgen van een verwaarloosde blindedarmontsteking. Gedurende twee jaar heeft Tine Balder het werk van Fred in Stellenbosch verdergezet, de drie jaren daarop concentreerde ze zich op de zorg voor haar kinderen, en op het toneelspelen, o.m. bij het theatergezelschap van de TRUK (Transvaalse Raad vir Uitvoerende Kunste). Maar toen haar volwassen kinderen hun eigen weg waren gegaan, knaagde het heimwee naar Vlaanderen. In september 1972 speelde ze (als gast) bij het Nederlands Toneel Gent (de hoofdrol) Ljoebov Ranjevskaja in ‘De Kersentuin’ (Anton Tsjechov). En toen KNS-directeur Dom De Gruyter, haar een vast engagement aanbood in 1973 nam ze dit graag aan. Vanuit Silverstone in Transvaal schreef Ulrich Stark (acteur en journalist) bij haar vertrek: ‘Nou gaan sy terug na haar vaderland. Nie om uit te tree of op haar louere te gaan rus en terug te kyk na haar bedrywige verlede nie, maar om verder te gaan werk. (…) Tine Balder ken geen terugsittery nie. Daarvoor is sy te geesdriftig en ‘n te natuurlike werker. En haar geesdrif en werklus is aansteeklik. Dit word tewens ook baie duidelik in haar speelstyl weerspieël: die fyn, afgeronde vertolking wat spruit uit onberispelike tegniek, sterk geroetineerd. Sy is by uitstek ‘n professionele mens, die soort verhoogkunstenaars waarmee regisseurs maklik oor die weg kom omdat hulle hul werk ken, omdat hulle stiptelik is en omdat hul taak vir hul erns is. (Gepubliceerd in Ons Erfdeel jg. 16, 1973, p. 124).

In de Antwerpse KNS deed ze haar wederoptreden op 6 oktober 1973 als Kathleen in ‘Mooi weer, vandaag’ (‘Home’, David Storey): een ontroerend eigentijds stuk over dementerende ouderen in een tehuis. Met de beklijvende vertolking van Hekuba (echtgenote van Koning Priamos van Troja, moeder van o.m. Paris, Hector, en Kassandra, die eens alles bezat, maar door de oorlog ook alles verloor en als slavin werd weggevoerd) in ‘De Trojaanse Vrouwen’ (Jean-Paul Sartre naar Euripides) kreeg ze in 1975 de J.-Oscar De Gruyterprijs voor de ‘beste acteerprestatie’ van het seizoen 1973-1974. En in 1976 maakte ze van de bescheiden rol van de harteloze verpleegster Ratched (wat een kreng!) in ‘Een vloog over het Koekoeksnest’ (Dale Wasserman/Ken Kesey) een opmerkelijke topprestatie.

KNS 1974: Tine Balder (Hekuba) en Marilou Mermans (Kassandra) in De Trojaanse Vrouwen (J.P. Sartre, naar Euripides), regie Walter Tillemans. © KNS-Archief in FelixArchief Stad Antwerpen, nr. 4177 (Foto: Reusens)
KNS 1974: Tine Balder (Hekuba) en Marilou Mermans (Kassandra)
in De Trojaanse Vrouwen (J.P. Sartre, naar Euripides), regie Walter Tillemans.
© KNS-Archief in FelixArchief Stad Antwerpen, nr. 4177 (Foto: Reusens)

In 1977 stapte ze over naar het Westvlaams Theater Antigone (directie Bert de Wildeman) in Kortrijk, waar ze niet alleen speelde (vb. de titelrol in ‘Jokaste tegen God’ van Herman Teirlinck, Leonie in ‘Er zijn geen ouders meer’ van Jean Cocteau), maar ook regisseerde (vb. ‘Kees de Jongen’, naar de roman van Theo Thijssen, en ‘Bouwmeester Solness’ van Henrik Ibsen). Van 1983 af werkte ze als freelance, waarbij ze nog een aantal opmerkelijke gastrollen speelde bij Vlaamse gezelschappen. Onder meer aan het einde van de jaren ’80 in de KNS (tijdens de directie van Ivonne Lex): Gert in ‘De Schuldvraag’ (Roger Van Ransbeek), Patronne in ‘De Wasserij’ (Dominique Durvin), Raïssa Pavlona Goermyzkaja in ‘Het Woud’ (Aleksander Ostrovski). In het voorjaar van 1994 (ze was toen 70 jaar) zagen we haar nog als de Voedster in ‘Antigone’ (Jean Anouilh) bij het Theater Ivonne Lex.

Tine Balder was, behalve op de planken, ook nog te zien in enkele Vlaamse films. Merkwaardig was ze als schippersvrouw in ‘Meeuwen sterven in de Haven’ (1955, regie Roland Verhavert), een film die als het ‘begin van de Vlaamse artistieke film’ wordt beschouwd, waarin ze naast Julien Schoenaerts, Dora Van der Groen en Tone Brulin speelde. Op de televisie was ze in de jaren zeventig in enkele televisiefilms en -reeksen te zien, onder meer als Moeder in de televisiefilm ‘Het ouderlijk Huis’ van Eddy Asselbergs (BRT 1977), als Maria Pijpelinckx (moeder van P.P. Rubens) in de serie ‘Rubens, schilder en diplomaat’ (BRT 1977, regie Roland Verhaevert), en Moeder Pycke in ‘Maria Speermalie’ (BRT 1979, mini-serie in zes delen naar de roman van Herman Teirlinck, regie Antonin Moskalyk).  Ze vertolkte ook enkele gastrollen in populaire genres, bij voorbeeld in ‘Recht op Recht’ en ‘Flikken’.

Deze opsommingen van haar vertolkingen op theaterplanken, en filmsets, kunnen misschien wat droog en eentonig overkomen, maar toch geven ze slechts een onvolledig beeld van haar veelvuldige artistieke prestaties. Want jazeker: tussendoor was ze ook nog actief in luister- of hoorspelen bij verscheidene radiostations. Ze gaf lezingen en workshops, vertaalde theaterteksten, trad op als declamatrice bij vieringen en feesten. En was ze ook nog regisseur bij zowel beroepstheaters als vrije-tijds-toneelkringen.

KNS 1986: Willy Vandermeulen (Jan) en Tine Balder (Gert) in De Schuldvraag (Roger Van Ransbeek), regie Martin Van Zundert. © KNS-Archief in FelixArchief Stad Antwerpen, nr. 7903 (Foto: Marleen Peeters)
KNS 1986: Willy Vandermeulen (Jan) en Tine Balder (Gert) in
De Schuldvraag (Roger Van Ransbeek), regie Martin Van Zundert.
© KNS-Archief in FelixArchief Stad Antwerpen, nr. 7903 (Foto: Marleen Peeters)

Als ‘laatste vertolking’ vertolkte ze (toen ze 95 jaar was) de oude dame Karin Magermans in de kortfilm ‘Lieve’ (eindproef 2019 in het RITCS te Brussel), waarin regisseur Vincent Groos de schrijnende situatie in beeld bracht van de oudere generatie in aftandse onderkomen woningen. Een thuisverpleegster toert met haar bromfiets elke dag rond, om er bejaarde patiënten te helpen en te verzorgen. Op het festival van de kortfilm in Leuven 2019 kreeg de actrice Joke Emmers voor haar vertolking van de thuisverpleegster de prijs voor de ‘beste acteerprestatie’. (De kortfilm Lieve werd op 17 oktober 2020 uitgezonden op Canvas.) Tine Balder gunde het haar jongere collega, zelf was ze ook al verscheidene malen gelauwerd. Onder meer voor de vertolking in ‘Meeuwen sterven in de Haven’ als beste Nederlandstalige speelfilm op het Festival van de Belgische Film (1956) in Antwerpen. En tweemaal met de Zuid-Afrikaanse Gallery Club Trofee als ‘beste actrice van het jaar’, eerst in 1966 voor haar vertolking van de titelrol in ‘Electra’ van Sofocles, de tweede maal in 1973 voor haar creatie van ‘Christine’, in het gelijknamige toneelstuk van de Zuid-Afrikaanse theaterman en auteur Bartho Smit. Ze werd ook onderscheiden met de Belgische Leopoldsorde.

Wat ik zo speciaal vond aan de actrice Tine Balder? Haar unieke stem. Een welluidende stem die probleemloos warm en omfloerst, of hard en scherp kon klinken, en die perfect verstaanbaar was tot in de hoogste regionen van de grote Bourla-schouwburg (eigenlijk een operazaal), in een tijd waarin het gebruik van verborgen mini-microotjes en dito geluidsversterkers in het theater nog niet uitgevonden was. Deze unieke stem met een licht nasale toets, die wat aan Maria Anna Sofia Cecilia Kalogeropoulos deed denken (beter bekend als Maria Callas), wist ze echt meesterlijk te bespelen in alle toonaarden en sterktes, en kon ze schijnbaar moeiteloos opladen met de meest uiteenlopende en gevarieerde gemoedstoestanden. Maar vraag niet naar haar ‘beste rol’, die kan ik echt niet aanduiden: ze vertolkte immers tientallen ‘beste rollen’ op een grootse wijze. En ook als ze een ‘kleine’ rol speelde, deed ze dat met steeds dezelfde inzet, zorgvuldigheid en onvoorwaardelijke overgave.

Kortom: ze was een van de boeiendste actrices van het Vlaamse theater in de tweede helft van de twintigste eeuw.

 

Cover foto  © Jan Van der Perre