Denkend aan Jan Van der Hoeven (1929-2014), taalslijper en spitse hertaler

Jan Van der Hoeven (1929-2014)
Jan Van der Hoeven (1929-2014)

Op 18 december 2014 is te Brugge Jan Van der Hoeven overleden, algemeen beschouwd als een literaire spits en als zodanig zal hij ook door poëzie-minnaars worden herdacht. Belangrijk is ook te verwijzen naar Van der Hoevens interesse voor theater en naar de hertalingen die hij maakte en de eigen teksten die werden opgevoerd.

Een verrassende kennismaking met Van der Hoeven als vertaler van toneel was de productie Fasjinasie, een hertaling van Quodlibet van Peter Handke, dat in 1970 in Basel in première ging in een gewaagde regie van Hans Hollman. Een belangrijk stuk in een periode van toneelcontestatie (1960-1970) met als veelzeggende ondertitel: of hoe je ‘t ook ziet. Echt iets voor Jan Van der Hoeven die evenals Handke de betekenis van een woord in zijn vele toepassingen (ondermeer in het teksttheater) met argusogen aan het bekijken was. De (volgens Handke al te) burgerlijke schouwburgen in Wenen, wezen zijn stukken af en zelf distantieerde hij zich van het ‘modernisme’. Theater moest vervelen, ongemak en twijfel opwekken en vooral uitdagen. Pas dan zouden een andere toneelvorm en een betere theatercultuur mogelijk worden. Met Quodlibet gaf Handke, na zijn Publikumsbeschimpfung, Kaspar en een stuk zonder woorden, Das Mündel will Vormund sein (Baas boven Baas), een duidelijk signaal: spreektaal en gebarentaal leiden tot misverstand. Het werd dus hoogste tijd woord en gebaar een andere duiding te geven, wat Jan Van der Hoeven ook al in zijn dichtwerk deed en wellicht daarom ook graag de kans aangreep om Handke’s nieuwe stuk te her-talen, een mogelijkheid die het Brugse Centrum voor teaterstudie (theater werd toen zonder h geschreven!) hem aanbood. Dit kleinschalig theaterinitiatief, ook bekend als Raaklijnzolder, werd geleid door Tony Willems en geraakte in 1971 tot in Parijs op een festival in het Théâtre de l’Epée de Bois met De Nonnen (over de slavenopstand op Haïti einde 18de eeuw) met felicitaties van de schrijver, de Cubaan Eduardo Manet (1930). De voorstelling in het Nederlands, gespeeld door Hilda Van Roose, Rita Lommee, Jesse Roegist en Irene Fensie, werd benevens door de auteur ook bijgewoond door onder meer toenmalig minister Frans Van Mechelen en leden van de Belgische ambassade. Daar even aan herinneren is meteen bevestigen dat ook een zogezegd ‘klein’ (Vlaams) theater meetelde in de toenmalige internationale opgang naar een ruimere theatervisie.

Fasjinasie

Fasjinasie werd in 1972 in Brugge door het Centrum voor teaterstudie opgevoerd in de stadsschouwburg in een regie van Jo Decaluwe, in een zeer speciale vormgeving. Het publiek zat op de balkons, zodat de benedenzaal een lege ruimte bleef, enkel bespeeld door de celliste Hélène Verhenneman, terwijl de dertien spelers, die topfiguren vertolken uit verschillende maatschappelijke geledingen, met en rond elkaar sluipen, elkaar beloeren of aandacht trachten te trekken. Het zijn uitgezochte types: een gangster, een danspaar, agenten van de CIA, een bisschop, een politieker, een vrouw van lichte zeden, een generaal. Ze murmelen, fluisteren, lachen, declameren zogezegde wijsheden. Op het eerste gezicht is er geen samenhangende inhoud. Dat is precies wat Handke bedoelt: het clichématige van een verstard taalgebruik genadeloos blootleggen. Voor Jan Van der Hoeven een uitstekende gelegenheid om als vertaler/her-taler mee te gaan in het absurde geheel en het met een geraffineerde ironische toon te kruiden.

Fasjinasie werd beter onthaald dan het oorspronkelijke Quodlibet, alhoewel critica Laura Mann na de première van Quodlibet in Basel, Handke gelijk gaf door in haar recensie er op te wijzen dat het theater, en vooral het Duitstalig theater, dringend aan vernieuwing toe was. Handke was er mee begonnen, maar net iets te geweldig, te absoluut, te hartstochtelijk, aldus Mann (in Het Laatste Nieuws, 20.02.1970). Over Fasjinasie was na afloop weinig te lezen in de Vlaamse pers. Een anonieme verslaggever loofde het initiatief en vooral de regie en de vertolking door de uitgebreide cast. Hij vond ook dat Van der Hoeven er in geslaagd was in zijn vertaling, van wat hij een ‘scenario’ noemt, de geest van Handke ‘op een meer dan behoorlijke wijze om te zetten’ (Het Laatste Nieuws, 10.06.1972).

Spijkers op hoog water

Poëzie dient niet enkel gelezen, maar vooral gehoord te worden. Vandaar dat Van der Hoeven graag uit zijn werk voorlas en voordroeg, en cabaret en kolderverzen schreef. Het was alweer een klein theater, de toenmalige Korrekelder in Brugge, dat in 1981 een aantal dichters bijeenbracht in Spijkers op hoog water, een cabaretprogramma van Leen Persijn, Herman Elegast en regisseur Jaak Vermeulen. Behalve een aantal teksten van Van der Hoeven, vertolkte en zong Leen Persijn ook oorspronkelijk werk van Piet Balfoort, Fred Brouwers, Marie-France Dhaenen, Herman Elegast, Paul Snoeck, Gijs van Rhode en haar zelf. Er was toen nog een geïnteresseerd publiek voor wat ‘kleinkunst’ werd genoemd, waarmee vaak grote kunst werd bedoeld. Er waren nog rebelse liederen over ‘de vetzak met de dikke sigaar’ (Fred Brouwers/Leon Rosselson) en over Pest-Vlaanderen en, onvermijdelijk, over, om en rond Guido Gezelle (Van der hoeven). Niet zomaar leende Leen Persijn het rijke spectrum van haar stemmogelijkheden en Herman Elegast, die ook de muziek maakte en arrangeerde, zijn warme stem voor

spijkers op hoog water/de doornen bij de roos/spijkers nu en later/wat bloemen tussen kroos,

en niet zomaar maakte Van der Hoeven zich vrolijk over de benauwende eenzijdigheid van de taalvirtuositeit van Guido Gezelle, die als een krinkelend, winkelend waterding poëzie uitsluitend bekeek en beoefende als een volks en taal-verrijkend, lerend en belerend schrijven en herschrijven van ‘den heiligen Name van God’. Van der Hoeven erkende de klank- en woordenrijkdom van Gezelle, maar bleef inhoudelijk met al zijn zintuigen op een begane grond, van waarop hij in alle vrijheid en kwetsbaarheid kon opstijgen om spirituele hoogten te bereiken die hem en de lezer/luisteraar ironisch plezierden en kritisch inspireerden.

In Spijkers op hoog water zag recensent Fred Six (De Standaard, 2.10.1981): ‘geen pijlen in de koker, maar spelden op een prikkussen. Ze kittelen eerder, zoals de bustocht door Pest-Vlaanderen, of hebben toch wel eens acupunctuur-werking. De nummers wisselen volgens een drietal richtingsvarianten die niet zomaar van elkaar te scheiden zijn. In een vaak ludieke zangvoordracht laten ze woorden lustig met elkaar overspel plegen. Aanleiding hiertoe zijn bijvoorbeeld onthullende poëziefragmenten van Gezelle, Beethovens Für Elise-bagatelle, een encyclopedisch zangspel op de A en de O…’

Het parodiëren van bepaalde geprezen dichters mag dan een vorm van kritiek zijn, het is tegelijk een toekennen van een zekere, weliswaar beperkte appreciatie aan hun werk. Van der Hoevens parodiërend talent bestond er voornamelijk in dat zijn woordspelingen zeer kort en inslaand waren en tot enig verder nadenken noopten, zoals in de enkel uit drie woorden bestaande parodie in Zeer kleine proeve van hiërarchie, opgenomen in Welkom in Pest-Vlaanderen: 

Geneveraal  Alkohonel   Soldood  

Wat in poëzie en proza mogelijk is, is niet op dezelfde manier mogelijk in teksttheater. Niet elke theatertekst leent zich tot dichterlijke vrijheden en literair bevrucht theater is niet zomaar speelbaar. Er woedt trouwens al vele jaren lang een taalstrijd om het theater van literaire invloeden en bemoeiingen te bevrijden en theater niet langer meer vanuit het dwingende auteurschap van één auteur (m/v) te bekijken maar vanuit de scheppende en inspirerende kracht tussen acteur/actrice en een publiek, op hun beurt zich inmiddels zoveel als mogelijk losgemaakt van een regisseur. Hier ligt wellicht nog altijd een stukje braakland  voor theaterwetenschappers om zich te amuseren met het uitvlooien van hoe toneelstukken door dichters en andere literatoren zijn vertaald en/of beïnvloed. Wat Jan Van der Hoeven betreft, Fasjinasie is allicht een voorbeeld van hoe het verantwoord artistiek en inhoudelijk kan.

Volledigheidshalve hier vermeld en eventueel nuttig voor een latere beschouwing, ziet de lijst van de vertalingen (plus een eigen werk, een monoloog) door Jan Van der Hoeven (vooral in opdracht van De Korre, Brugge en Malpertuis, Tielt) er, benevens Quodlibet van Peter Handke, uit als volgt: Alchimons Appel (Zora Dirnbach, 1965), een luisterspel in opdracht van de BRT; De Marathon (Claude Confortès, 1975); Dameshandwerk ((Jean-Claude Danaud, 1976); Onder ons (Alan Ayckbourn, 1977); Nacht over Madras (Eduardo Manet, 1978), Narrenschool (Michel de Ghelderode, 1981). In 1998 werd in De Werf (Brugge) de monoloog Thea Bontinck (over passie en de eenzaamheid er van) van Van der Hoeven gecreëerd door Sabine Goethals, in een regie van Bart Cafmeyer.

Literatuur (selectie):

  • Fernand Bonneure, Kijkers op Koppen, Drukkerij Breydel, 1964
  • Radar 3/4, Tijdschrift voor Literatuur, Kunst en Kritiek, Jan Van der Hoeven-nummer, 1975
  • Hedwig Speliers, Tiaar van mijn taal. Poets poet Jan Van der Hoeven, P. Nerudafonds, Brugge, 1986
  • Jooris Van Hulle, Iedereen is van ergens, Houtekiet, Antwerpen/Utrecht, 2011